Reglement voor de tuchtrechtspraak

REGLEMENT VOOR DE TUCHTRECHTSPRAAK
van het
TCZ
inhoudende
Tuchtrecht Complementaire Zorg

INHOUDSOPGAVE 1

HOOFDSTUK 1: Definities 2
HOOFDSTUK 2: Algemene bepalingen 3
HOOFDSTUK 3: Samenstelling en werkwijze van het College van Toezicht 5
en het College van Beroep
HOOFDSTUK 4: Procedure in eerste aanleg 7
HOOFDSTUK 5: Tuchtmaatregelen 11
HOOFDSTUK 6: Procedure in hoger beroep 12
HOOFDSTUK 7: Slotbepalingen 14

Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder:
Bestuur: Het bestuur van TCZ;
Bureau: Het bureau van TCZ;
College van Toezicht: het College dat de tuchtrechtspraak in eerste aanleg behandelt;
College van Beroep: het College dat de tuchtrechtspraak in hoger beroep behandelt;
RBCZ: Stichting HBO Register Beroepsbeoefenaren Complementaire Zorg;
TCZ: Stichting Tuchtrecht Beroepsbeoefenaren Complementaire Zorg;
Beroepsbeoefenaar: Een therapeut of arts binnen de complementaire zorg op wie het TCZ tuchtrecht van toepassing is;
Beroepscode: De gedragsregels die van toepassing zijn op alle beroepsbeoefenaren die aangesloten zijn bij een beroepsorganisatie en via deze beroepsorganisatie bij koepelorganisatie RBCZ;
Klager: De persoon, organisatie of (overheids)instantie die een klacht heeft ingediend;
Beklaagde: Degene tegen wie een klacht is ingediend;
Appellant: Degene die een beroepschrift heeft ingediend, eiser in hoger beroep;
Geïntimeerde: Verweerder in hoger beroep.

HOOFDSTUK 2: ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 2 Toepasselijkheid reglement
De inhoud van dit reglement is van toepassing op de therapeut of arts-therapeut, die
i. werkzaam is in de complementaire zorg;
ii. aangesloten is bij een beroepsorganisatie;
iii. via deze beroepsorganisatie aangesloten is bij de koepelorganisatie RBCZ, Stichting HBO Register Beroepsbeoefenaren Complementaire Zorg;
iv. ingeschreven is in het register van RBCZ;
v. onderworpen is aan de beroepscode van de beroepsorganisatie en de beroepscode van RBCZ;
In dit reglement zullen de therapeut of arts-therapeut verder beroepsbeoefenaar worden genoemd.

Artikel 3 Werkingssfeer
1. Een beroepsbeoefenaar is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:
a. Enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:
1. degene, met betrekking tot diens gezondheidstoestand hij bestand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;
2. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;
3. de naaste betrekkingen van de onder sub 1 en 2 bedoelde personen;
b. Enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de complementaire gezondheidszorg.
2. Het in lid 1 van dit artikel omschreven handelen of nalaten is nader uitgewerkt in de beroepscodes die op de beroepsbeoefenaar van toepassing zijn.
3. Indien een beroepsbeoefenaar het lidmaatschap van een beroepsvereniging opzegt, of indien de inschrijving van de beroepsbeoefenaar in het register wordt geschorst of doorgehaald, blijft de beroepsbeoefenaar onderworpen aan de bepalingen van het reglement tuchtrechtspraak, voor zijn handelen of nalaten gedurende de periode van zijn inschrijving.

Artikel 4 Klachtgerechtigden
1. Een klacht kan worden ingediend door:
a. iedereen die daarbij rechtstreeks belang heeft;
b. degene die aan de beroepsbeoefenaar over wie wordt geklaagd een opdracht heeft gegeven;
c. degene bij wie, danwel het bestuur van een instelling waarbij degene over wie wordt geklaagd, werkzaam of voor het verlenen van complementaire gezondheidszorg ingeschreven is;
d. een zorgverzekeraar in de zin van de Zorgverzekeringswet;
e. een hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
2. Een klacht die wordt ingediend door een minderjarige, jonger dan 16 jaar, kan niet-ontvankelijk worden verklaard, wanneer blijkt dat deze minderjarige in de procedure niet wordt vertegenwoordigd door zijn ouders dan wel een andere wettelijke vertegenwoordiger.

Artikel 5 Uitvoering tuchtrechtspraak
1. De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg door het College van Toezicht uitgeoefend en in hoger beroep door het College van Beroep.
2. Het College van Toezicht en het College van Beroep behandelen klachten met betrekking tot het handelen of nalaten van de beroepsbeoefenaar, zoals omschreven in artikel 3 van dit reglement en de op de beroepsbeoefenaar toepasselijke beroepscodes.
3. Het College van Toezicht en het College van Beroep hebben tevens als taak desgevraagd het RBCZ, het TCZ of de bij hen aangesloten beroepsorganisaties te adviseren bij voorkomende vragen over de bepalingen van dit regelement en/of de toepasselijke beroepscodes.

HOOFDSTUK 3: SAMENSTELLING VAN HET COLLEGE VAN TOEZICHT EN HET COLLEGE VAN BEROEP

Artikel 6 Samenstelling Colleges en voorwaarden (her)benoeming
1. Het College van Toezicht en het College van Beroep bestaan elk uit tenminste drie leden, alsmede plaatsvervangende leden;
2. Met uitzondering van de voorzitter en diens plaatsvervanger die jurist zijn, zijn alle (plaatsvervangende) leden van het College van Toezicht en het College van Beroep beroepsbeoefenaars die als zodanig werkzaam zijn en tenminste 5 jaar ingeschreven zijn in het register;
3. Het College wordt ondersteund door een Ambtelijk Secretaris (en diens plaatsvervanger). De Ambtelijk Secretaris maakt geen deel uit van de College en heeft geen stem in de besluitvorming van het College;
4. De samenstelling van de klacht wordt, afhankelijk van de aard en de inhoud van de klacht, vastgesteld door het bestuur van RBCZ in samenspraak met de voorzitter van het College.
5. De leden van de Colleges worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij kunnen steeds door het bestuur van TCZ voor een nieuwe termijn van vier jaar worden herbenoemd. De benoeming eindigt wanneer een lid de 70-jarige leeftijd bereikt.
6. Wanneer sprake is van tussentijdse vacatures, benoemt het bestuur tijdelijk leden.
7. De leden van het College van Toezicht kunnen geen lid zijn van het College van Beroep en andersom. Tevens kunnen de leden van het bestuur van RBCZ of TCZ en medewerkers van het bureau geen deel uitmaken van één van de Colleges.
8. De leden van de Colleges en de Ambtelijk Secretaris houden zich bij het uitoefenen van hun functie aan de bepalingen van dit reglement.

Artikel 7 Einde en intrekking benoeming
1. De benoeming van een lid eindigt met onmiddellijke ingang bij:
a. verstrijken van een benoemingstermijn, indien geen herbenoeming plaatsvindt;
b. doorhaling van de inschrijving als beroepsbeoefenaar;
c. overlijden.
2. De benoeming van een lid eindigt voorts door:
d. ondercuratelestelling of onderbewindstelling, indien de beschikking waarin deze is uitgesproken, in kracht van gewijsde is gegaan.
3. Een lid kan de benoeming tussentijds opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 3 maanden, met dien verstande dat hij/zij in functie blijft totdat in zijn/haar functie is voorzien en uitspraak is gedaan in de op het moment van de opzegging aanhangige zaken.
4. Het bestuur kan de benoeming intrekken indien een lid wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of wegens andere zwaarwichtige redenen niet langer voldoet aan de benoemingseisen.

Artikel 8 Geheimhouding, wraking en verschoning
1. Geheimhouding
De leden en de plaatsvervangende leden van het College van Toezicht en het College van Beroep, alsmede de secretaris (en diens plaatsvervanger) zijn tot geheimhouding verplicht ten aanzien van al hetgeen hen ter kennis komt in hun functie.
2. Wraking en verschoning
a. Een lid van het College van Toezicht of het College van Beroep kan zich verschonen of kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel over de klacht zouden kunnen bemoeilijken;
b. Een lid dat zich wenst te verschonen, verzoekt dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van het klaagschrift;
c. Een verzoek tot wraking kan uiterlijk worden gedaan tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.
d. Over de verschoning of wraking wordt door de overige leden zo spoedig mogelijk beslist. Wanneer de stemmen staken, wordt het verzoek tot verschoning of wraking geacht te zijn toegewezen.
e. Een lid dat zich heeft verschoond of dat gewraakt is, wordt vervangen door een plaatsvervangend lid.
f. Indien een verzoek tot wraking wordt gedaan tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, wordt deze behandeling tijdelijk geschorst voor beraadslaging en stemming van de overige leden. Indien het verzoek tot wraking wordt toegewezen, wordt zo spoedig mogelijk een datum bepaald waarop de mondelinge behandeling wordt voortgezet.

HOOFDSTUK 4: PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Artikel 9 Indiening van een klacht; formele eisen
1. Klachten moeten schriftelijk en in de Nederlandse Taal worden ingediend bij het Ambtelijk Secretariaat van de Stichting Tuchtrecht Beroepsbeoefenaren Natuurlijke Gezondheidszorg, Postbus 297, 4700 AG Roosendaal.
2. Als datum van indiening geldt de datum van ontvangst van het klaagschrift bij het Ambtelijk Secretariaat.
3. In het klaagschrift dient de belanghebbende voldoende te motiveren wat de klacht inhoudt en op welke feiten en gronden deze berust.
4. Indien het klaagschrift niet aan één of meerdere van deze eisen voldoet, stelt de Ambtelijk Secretaris de klager in de gelegenheid dit verzuim binnen een termijn van vier weken te herstellen.
5. De klager kan zich bij de indiening van de klacht en het verdere verloop van de procedure doen bijstaan door een raadsman of gemachtigde. De kosten van deze raadsman of gemachtigde komen voor rekening van klager.

Artikel 10 Werkwijze College van Toezicht; vooronderzoek
1. Nadat een klaagschrift is ingediend, stuurt de Ambtelijk Secretaris zo spoedig mogelijk een afschrift van de klacht aan de beklaagde en wordt deze geïnformeerd over het verloop van de procedure. De beklaagde kan zich in de procedure doen bijstaan door een advocaat of gemachtigde. De kosten van deze advocaat of gemachtigde komen voor rekening van de beklaagde.
2. Nadat een klaagschrift is ingediend, stuurt de Ambtelijk Secretaris zo spoedig mogelijk een afschrift van de klacht aan de leden van het College van Toezicht.
3. Het Ambtelijk Secretariaat voert binnen vier weken een vooronderzoek uit waarbij de volgende aspecten worden gecontroleerd:
a. Is de klacht ingediend door een klachtgerechtigde?

b. Indien de beroepsvereniging van de beklaagde een klachtenregeling kent: heeft de klachtgerechtigde deze klachtprocedure gevolgd?
c. Is de klacht tijdig hersteld of aangevuld?
d. Is de klacht ingediend binnen 2 jaar nadat de vermeende schending van de toepasselijke beroepscode(s) heeft plaatsgevonden?
e. Is de klacht van onvoldoende gewicht?
f. Is de klacht kennelijk ongegrond?
4. Indien zich één van de situaties genoemd onder lid 3 sub a, b of c voordoet, wordt de klager door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard. Indien zich één van de situaties genoemd onder lid 3 sub d, e of f voordoet, verklaart de voorzitter de klacht ongegrond of wijst deze af. De genoemde beslissingen worden met redenen omkleed.
5. Tegen een beslissing als genoemd in lid 4 kan de klager binnen vier weken nadat de beslissing aan hem is verzonden, door de indiening van een voldoende gemotiveerd beroepschrift hoger beroep instellen bij de Voorzitter van het College van Beroep. De Voorzitter beslist zo spoedig mogelijk. Een afschrift van deze beslissing wordt gezonden aan:
a. de voorzitter van het College van Toezicht;
b. de klager;
c. degene tegen wie de klacht is gericht;
d. het Ambtelijk Secretariaat.

Artikel 11 Verweer en indienen nadere stukken
1. Indien de procedure na afronding van het vooronderzoek of na gegrondverklaring van het beroep van de klager als bedoeld in artikel 10 lid 5 wordt voortgezet, verzoekt de Ambtelijk Secretaris de beklaagde binnen een termijn van vier weken een verweerschrift in te dienen. Deze termijn kan op verzoek van de beklaagde worden verlengd.
2. Na ontvangst van het verweerschrift zendt de Ambtelijk Secretaris een afschrift daarvan aan de klager en de leden van het College van Toezicht.
3. Indien daartoe aanleiding bestaat, biedt het College van Toezicht binnen een door hem te bepalen termijn partijen de gelegenheid tot schriftelijke repliek en dupliek. De ingediende stukken worden door de Ambtelijk Secretaris doorgezonden aan de andere partij en aan de leden van het College van Toezicht.
9
Artikel 12 Mondelinge behandeling
1. Na indiening van de processtukken wordt zo spoedig mogelijk een datum voor een mondelinge behandeling vastgesteld.
2. De Ambtelijk Secretaris nodigt de klager en de beklaagde schriftelijk uit om op de zitting ter verschijnen en deelt daarbij plaats, dag en tijdstip van de zitting mee, alsmede de samenstelling van het College van Toezicht.
3. De Ambtelijk Secretaris neemt bij de uitnodiging een termijn ven tenminste drie weken in acht.
4. Indien het beroep tegen een beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht als bedoeld in artikel 10 lid 5 gegrond is verklaard, neemt de voorzitter geen deel aan de behandeling van de klacht.
5. Tot uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling kunnen partijen nadere stukken indienen.
6. Het College van Toezicht kan bepalen dat de kennisneming van bepaalde processtukken of gedeelten daarvan niet wordt toegestaan aan de beklaagde of klager persoonlijk, maar uitsluitend aan een raadsman of gemachtigde.
7. Het College van Toezicht kan een nieuwe zittingsdatum vaststellen, wanneer de klager of beklaagde niet ter zitting verschijnt. Wanneer de klager of beklaagde evenmin verschijnt naar aanleiding van een nieuwe oproep, kan het College van Toezicht besluiten de zaak schriftelijk af te doen.
8. De zittingen van het College van Toezicht zijn niet openbaar.
9. Wanneer een klacht wordt ingetrokken wordt de behandeling daarvan gestaakt, tenzij het College van Toezicht op verzoek van de beklaagde of ambtshalve beslist dat de behandeling van de klacht moet worden voortgezet om redenen, aan het algemeen belang ontleend.
10. De voorzitter leidt het onderzoek tijdens de mondelinge behandeling en stelt de klager en beklaagde in de gelegenheid hun standpunten nader toe te lichten en kan hen aanvullende vragen stellen. Ook de andere leden van het College van Toezicht kunnen partijen vragen stellen.
11. Het College van Toezicht kan, indien de zaak hem daartoe geschikt voorkomt, tijdens de mondelinge behandeling een minnelijke oplossing beproeven. Indien deze oplossing mogelijk blijkt, wordt deze schriftelijk vastgelegd en door de klager en beklaagde ondertekend. Onderdeel van een minnelijke oplossing is dat de klager de ingediende klacht intrekt.
12. De secretaris maakt van de mondelinge behandeling een intern verslag op. Dit verslag wordt door de voorzitter en de Ambtelijk Secretaris vastgesteld en ondertekend.

Artikel 13 Getuigen en deskundigen
1. Partijen kunnen getuigen en/of deskundigen voor de zitting oproepen. De namen van eventuele getuigen en/of deskundigen dienen uiterlijk 7 dagen voor de mondelinge behandeling aan het College van Toezicht en de andere partij te worden doorgegeven.
2. Het College van Toezicht kan besluiten een deskundige te benoemen voor het uitbrengen van een bericht ter zitting dan wel voor het uitbrengen van een schriftelijk bericht.
3. Het College stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de keuze van de deskundige.
4. Wanneer een schriftelijk bericht aan de deskundige wordt verzocht, zendt de Ambtelijk Secretaris partijen een lijst met de door het College van Toezicht te stellen vragen. Partijen kunnen binnen een termijn van twee weken een reactie geven op de geformuleerde vragen en eventueel aanvullende vragen formuleren.
5. Het College van Toezicht beslist binnen 2 weken na de ontvangst van de reactie van partijen over de persoon van de deskundige en de te stellen vragen
6. De Ambtelijk Secretaris zendt de vragen vervolgens aan de deskundige met het verzoek om daarop binnen een termijn van 4 weken schriftelijk te reageren.
7. Na ontvangst van de reactie van de deskundige, zendt de Ambtelijk Secretaris een afschrift daarvan aan de leden van het College van Toezicht en aan partijen.
8. Partijen worden in de gelegenheid gesteld op de reactie van de deskundige te reageren binnen een termijn van twee weken.
9. De getuigen en deskundigen die ter zitting verschijnen worden gehoord door de voorzitter, die eveneens de volgorde van het horen bepaalt. De andere leden van het College van Toezicht kunnen eveneens vragen stellen. Vervolgens kunnen partijen vragen stellen aan de getuigen en deskundigen.
10. De Ambtelijk Secretaris stelt een verslag op van de verklaringen van de getuigen en/of deskundigen, welk verslag ter zitting wordt opgemaakt en door hen wordt ondertekend.

11. De kosten van de getuigen en deskundigen die door partijen zelf zijn opgeroepen, komen voor hun eigen rekening. De kosten van een door het College van Toezicht benoemde deskundige komen voor rekening van TCZ.

Artikel 14 Uitspraak
1. Het College van Toezicht beslist bij meerderheid van stemmen binnen 10 weken na de mondelinge behandeling. De beslissing is met redenen omkleed en wordt door de Ambtelijk Secretaris op schrift gesteld, gedagtekend en door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
2. De uitspraak vermeldt het rechtsmiddel dat tegen de uitspraak voor partijen openstaat.
3. Het College van Toezicht zendt een afschrift van zijn beslissing aan:
a. de klager;
b. degene tegen wie de klacht is gericht;
c. het Ambtelijk Secretariaat;
d. de beroepsvereniging van de beklaagde.

HOOFDSTUK 5: TUCHTMAATREGELEN

Artikel 15 Maatregelen
1. Het College van Toezicht kan op grond van overtreding van de toepasselijke beroepscode(s) aan de beroepsbeoefenaar de volgende maatregelen opleggen:
a. waarschuwing;
b. berisping;
c. schorsing van de inschrijving van de beroepsbeoefenaar bij de aangesloten beroepsorganisatie (en de RBCZ) voor ten hoogste één jaar;
d. doorhaling van de inschrijving van de beroepsbeoefenaar bij de aangesloten beroepsorganisatie (en de RBCZ).
2. De maatregel van schorsing of van doorhaling van de inschrijving van de beroepsbeoefenaar bij de aangesloten beroepsorganisatie treedt in werking met ingang van de dag waarop de beslissing waarbij zij is opgelegd, onherroepelijk is geworden.
3. A. Het College van Toezicht kan bepalen dat de maatregel van schorsing geheel of gedeeltelijk of dat de maatregel van doorhaling niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de beroepsbeoefenaar zich gedurende een bij de beslissing te bepalen tijdvak van maximaal 2 jaren onthoudt van gedragingen kunnen leiden tot het opleggen van een maatregel.
B. Indien blijkt dat de beroepsbeoefenaar de gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd, kan het College van Toezicht, nadat de betrokken beroepsbeoefenaar hieromtrent is gehoord, alsnog besluiten tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke maatregel.
4. Het College van Toezicht kan bepalen dat een opgelegde maatregel zal worden openbaar gemaakt op een door haar te bepalen wijze.
5. Het College van Toezicht kan een klacht geheel of ten dele gegrond verklaren zonder oplegging van een maatregel.
6. Het College van Toezicht kan bepalen dat een door haar opgelegde maatregel uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.
7. De klager behoudt in alle gevallen de mogelijkheid zich tevens te wenden tot een andere (externe) instantie, zoals de inspectie voor de gezondheidszorg, de civiele rechter of het Openbaar Instantie.

HOOFDSTUK 6: PROCEDURE IN HOGER BEROEP

Artikel 16 Hoger beroep, formele eisen en termijnen
1. Tegen de beslissing van het College van Toezicht kan binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak beroep worden ingesteld bij het College van Beroep.
2. Het beroep kan worden ingesteld door:
a. de klager;
b. de beklaagde;
3. Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en moet wordt ingediend bij het Ambtelijk Secretariaat van het College van Toezicht.
4. Indien het beroepschrift niet binnen de in lid 1 genoemde termijn is ingediend, wordt de appellant niet ontvankelijk verklaard, tenzij deze aantoont dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5. Indien het beroepschrift niet voldoet aan één of meerdere van de formele vereisten, stelt de Ambtelijk Secretaris hem in de gelegenheid het verzuim binnen vier weken te herstellen.
Artikel 17 Werkwijze College van Beroep, vooronderzoek
1. Zodra een beroepschrift is ingediend, stuurt de Ambtelijk Secretaris zo spoedig mogelijk een afschrift daarvan aan de geïntimeerde en informeert hij deze over het procedureverloop.
2. De Ambtelijk Secretaris zendt tevens een afschrift van het beroepschrift aan de leden van het College van Beroep.
3. Het College van Beroep voert zo spoedig mogelijk een vooronderzoek uit. Wanneer blijkt dat het beroepschrift is ingediend door een daartoe niet bevoegde, niet tijdig is ingediend of wanneer het beroepschrift niet voldoet aan het bepaalde in artikel 16 lid 5, kan het College van Beroep de appellant niet-ontvankelijk verklaren.
4. De beslissing van het College van Beroep is met redenen omkleed en wordt op schrift gesteld.
5. Een afschrift van de uitspraak wordt aan de appellant en de geïntimeerde gezonden.

Artikel 18 Verweer en incidenteel beroep
1. Indien de appellant ontvankelijk is in zijn beroep, stelt de Ambtelijk Secretaris de geïntimeerde in de gelegenheid binnen 6 weken een verweerschrift in te dienen.
2. De Ambtelijk Secretaris zendt een afschrift van het verweerschrift aan appellant en aan de leden van het College van Beroep.
3. Wanneer de geïntimeerde in het verweerschrift tevens incidenteel beroep instelt tegen de uitspraak van het College van Toezicht, stelt de Ambtelijk Secretaris appellant in de gelegenheid daartegen binnen zes weken een verweerschrift in incidenteel beroep in te dienen.
4. Na indiening van het verweerschrift in incidenteel beroep zendt de Ambtelijk Secretaris daarvan een afschrift aan geïntimeerde en de leden van het College van Beroep.
5. Met de indiening van het verweerschrift danwel het verweerschrift in incidenteel beroep is de schriftelijke procedure in hoger beroep beëindigd, tenzij het College van Beroep in een bijzonder geval anders beslist.
6. De Ambtelijk Secretaris stelt het bestuur van de beroepsvereniging van de beroepsbeoefenaar op de hoogte van het ingestelde beroep.

Artikel 19 Mondelinge behandeling
1. Indien de appellant ontvankelijk is in zijn beroep en alle processtukken zijn ingediend, wordt het hoger beroep zo spoedig mogelijk behandeld op een mondelinge behandeling van het College van Beroep.
2. Op de behandeling van de procedure in hoger beroep door het College van Beroep zijn de artikelen 9 lid 5, artikel 10 lid 1 en de artikelen 11 tot en met 14 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20 Uitspraak
1. In zijn uitspraak kan het College van Beroep appellant niet-ontvankelijk verklaren danwel het beroep gegrond of ongegrond verklaren.
2. Indien het College van Beroep het beroep gegrond verklaart, vernietigt het de uitspraak van het College van Toezicht en doet de zaak dan zelf af.
3. De uitspraak van het College van Beroep is met redenen omkleed.

HOOFDSTUK 7: SLOTBEPALING
Artikel 17 Vaststelling, afwijking en naam reglement
1. Dit reglement is vastgesteld op 16 november 2017 en treedt in werking op
16 november 2017
2. In gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het College van Toezicht in eerste aanleg of het College van Beroep in hoger beroep.
3. Wijzigingen in dit reglement worden vastgesteld door het bestuur van TCZ.